In Thialf testen studenten schaatstalenten om te strijden voor Olympisch goud
Waar moet een schaatstalent op trainen om later op de Olympische Spelen te mogen schitteren? Balans, sprongkracht, explosiviteit; sportwetenschapper Marije Elferink-Gemser test het allemaal in Thialf. "We vergelijken hun uitslag met die van toppers van vroeger."
Bij het zien van de Winterspelen weten veel jonge schaatsers het zeker: 'dit wil ik ook'. Maar de weg naar de Olympus is lang. Om de kansen te vergroten, wacht deze groep een reeks tests in Thialf.
Deze zijn er sinds 2008 en worden uitgevoerd door leerlingen van de RUG. Leidinggevende is sportwetenschapper Marije Elferink-Gemser (52) uit Sneek.
Talent herkennen én ontwikkelen
Jongens en meisjes vanaf veertien jaar worden tot vier jaar lang getest op allerlei aspecten. Dit gebeurt tweemaal per jaar in de zogenoemde meetstraat, die onderdeel is van de Talentdagen van de KNSB.
"Met een momentopname kun je weinig. Daarom nemen we hen voor een langere tijd onder de loep. Op die manier kun je niet alleen talent herkennen, maar het ook helpen ontwikkelen", zegt de onderzoeker van de RUG.
Zet hij of zij goed af, gaat de klapschaats wel op het juiste moment uit?
De jonge sporters worden op allerlei aspecten getest. Op basis daarvan kun je ook bepalen of iemand geschikt is voor een sprint of lange afstand. Dat zie je onder meer aan de hand van (sprong)kracht, uithoudingsvermogen en explosiviteit. Dat laatste meten zij en haar studenten bijvoorbeeld met de Wingatetest: een maximaaltest van 30 seconden op een speciale fietsergometer.
Filmen tijdens NK
"Maar ook lichaamsbouw, schaatstechniek, en mentale kwaliteiten komen in het dataoverzicht", zegt Elferink-Gemser, die eraan toevoegt dat de sporters ook worden gefilmd tijdens het NK; het moment dat ze op hun best moeten zijn.
Met al deze informatie en analyses kunnen coach en talent vervolgens aan de slag. Want schaatsen is bij uitstek een sport waar maatwerk wordt geleverd. Alle jongens en meisjes leggen een andere route af.
Schema aanpassen
Trainers zijn blij met het onderzoek. Op basis van de testscores kunnen zij besluiten op welk vlak de schaatser zich kan verbeteren. Als iemand erg goed scoort op de Wingatetest, kan het verstandig zijn om meer aandacht te vestigen op de techniek, legt Elferink-Gemser uit. Het schema wordt dan aangepast.
Zet hij of zij goed af, gaat de klapschaats op het juiste moment uit? "En als de kracht juist ontbreekt, dan moet de motor sterker worden gemaakt."
De KNSB schrijft dus niet schaatsers af op basis van de gegevens, benadrukt Elferink-Gemser. Het is een praktisch handvat dat richting geeft.
Daarbij wordt het profiel van schaatsers vergeleken met dat van toppers uit het verleden. "Als iemand over acht jaar olympisch kampioen wil worden, dan pakken we de resultaten erbij van een oud-winnaar die toen ook zo oud was. Door zo'n meetpunt weet je wat dan nog beter moet."
1500 meter
Het is van cruciaal belang dat een schaatser de energie goed weet te verdelen. Bij de sprint is het simpel, zegt de Sneker, dan geeft hij iedere seconde alles. Maar bij de 1500 meter is dat al anders. Daarom zien onderzoekers dat als een afstand waar je veel van kunt afleiden.
Schaatsers moeten vlak over de finish geen greintje energie meer over hebben. Dat betekent dat je precies moet weten hoeveel energie je in welke ronde verbruikt.
"We zien dat het een na laatste rondje vaak het verschil maakt. De schaatsers die dat goed doen, redden het meestal wel. Dus daar letten we ook op."
Marianne Timmer wist precies wat goed voor haar was.
Volgens Elferink-Gemser kunnen onderzoeksresultaten het verschil maken bij twijfelgevallen. Als iemand zich niet verder ontwikkelt, zonder duidelijke reden, zit die persoon aan zijn of haar plafond. Bij een ander zijn er op basis van de data misschien nog veel stappen te zetten. Bij de echte toppers is hun toekomst vaak wel duidelijk.
Weten, willen, doen
Om het hoogste podium te behalen moeten volgens haar drie hoofdelementen aanwezig zijn: weten, willen, doen. Sporters moeten bewust zijn van de eigen kwaliteiten en wat ze moeten leveren, daar alles voor willen doen, en er vervolgens ook naar handelen.
Marianne Timmer was zo iemand. Elferink-Gemser schaatste vroeger met haar in de selectie. "Marianne was nooit een type van het heel bewust plannen of evalueren. Zij deed het gewoon."
"Als we buiten aan het trainen waren en de coach zei dat we tien keer moesten sprinten, verstopte zij zich na zes sprints achter de boom. Waarom? Omdat ze precies wist wat goed voor haar was. Na zes rondes had ze zichzelf namelijk helemaal leeg geschaatst."
Vlammen op tv
Elferink-Gemser haalt veel voldoening uit haar werk, vertelt ze tot slot. Het van dichtbij zien hoe het pad van een talentvolle sporter loopt, blijft volgens haar prachtig. Waar die ook mag eindigen.
"Maar", zo erkent ze, "het is toch wel het allermooist als je een voormalig talent uiteindelijk ziet vlammen op tv."